• Henk Hutten, de eerste fotograaf van Lelystad, is tegenwoordig vooral actie in de regios Putten en Barneveld. Stoopen is volgens de Puttanaar nog niet aan de orde.

    Henk Hutten
  • Mr. Pieter van Vollenhove (links) op fazantenjacht rond Lelystad, 18 januari 1969.

  • Prins Bernhard op Vliegveld Lelystad, 10 mei 1981. Aanleiding voor het bezoek was het feit dat Bernhard zijn 40ste vliegjaar inging. Ter gelegenheid daarvan koos hij het luchtruim met een historische Tiger Moth, hetzelfde toestel als waarmee hij in 1941 zijn vliegbrevet haalde.

  • Op 30 april 1980 kreeg Nederland een nieuw staatshoofd: koningin Beatrix. In hetzelfde jaar legde zij in het hele land kennismakingsbezoeken af. Op 11 juni 1980 deed zij Dronten, Lelystad en Almere aan. Op de foto worden zij en haar echtgenoot prins Claus ontvangen door burgemeester Hans Gruijters. Naast Gruijters staat staatssecretaris Henk Koning.

  • Kermis ter gelegenheid van het 1-jarig bestaan van Lelystad, 5 oktober 1968.

Puttenaar Henk Hutten was de eerste fotograaf van Lelystad

PUTTEN Bijna een halve eeuw geleden verkaste Henk Hutten van Zutphen naar Lelystad en werd hij de eerste fotograaf in de stad in wording. Nadat hij werd overgeplaatst naar Putten bleef hij fotograferen, onder andere voor deze krant. Een terugblik op zijn pioniersjaren in de polder.

Cees van Dijk

Fotograaf Henk Hutten (71) loopt over een smal pad in de bossen bij Stroe. Aan zijn schouder hangt een zware fototas, in zijn hand houdt hij een statief. Henk is op weg naar het graf van een Daffodil, een auto die hier waarschijnlijk in de jaren '60 zijn einde vond. „Is het nog ver lopen", vraagt Henk aan zijn begeleider, want hij moet vanwege een recente operatie zijn knieën wat ontzien. Als het gezelschap na een wandeling van een half uur arriveert op de plek waar het wrak uit het zand is gehaald, ontkomt Henk er niet aan door de knieën te gaan om de locatie goed in beeld te brengen.

Enige tijd later wordt er opnieuw een aanslag op Henk's knieën gepleegd als hij foto's moet maken van een jonge vrouw die aan een rolstoel is gekluisterd. Vanuit ongebruikelijke hoeken maakt hij de plaat die volgens hem recht doet aan het onderwerp. Ook als hij enkele weken daarna een compleet kerkkoor in Zwartebroek moet fotograferen, aarzelt hij niet de nodige capriolen uit te halen om de foto te maken die hij in zijn hoofd heeft.

Blijkbaar staan die momenten Henk nog helder voor de geest, want als hij de vraag krijgt om voor deze krant terug te blikken op zijn jaren als pionier in Lelystad luidt zijn eerste opmerking: „Prima, als ik maar niet door de knieën hoef." Dat is niet nodig en, blijkbaar gerustgesteld, haalt hij daarna tal van herinneringen op aan een periode die voor hem de start van zijn loopbaan als fotograaf betekende.

VERHUIZEN „Destijds woonde ik met mijn vrouw in Zutphen bij mijn schoonouders in. Vanwege de beperkte ruimte was dat nogal behelpen, maar voor een huis kwamen we niet in aanmerking. Nadat onze dochter was geboren, werd ons slaapkamertje wel heel krapjes", begint Henk zijn verhaal. Zodra hij als medewerker van het gasbedrijf de kans krijgt om naar Lelystad te verhuizen, waar hem niet alleen een promotie, maar ook een riante eengezinswoning in het vooruitzicht wordt gesteld, aarzelt hij niet om dat aanbod aan te nemen. Een verhuizing naar de polder lijkt in aantocht. „Mij leek het aantrekkelijk en Reny, mijn vrouw stond het ook wel aan, maar mijn schoonmoeder had haar bedenkingen. Die vond dat we net zo goed konden gaan emigreren."

Dat is op zich geen rare gedachte, want Lelystad ligt vijftig jaar geleden in de ogen van velen aan het einde van de wereld, niet meer dan een paar huizen op een kale zandvlakte. Voordat Henk en zijn vrouw de verhuisdozen kunnen inpakken, moeten ze eerst nog door een selectie om te beoordelen of het jonge gezin wel geschikt is om als pioniers naar de polder te vertrekken. Ze komen door de keuring en uiteindelijk kunnen ze in december 1967 hun intrek nemen in hun ruime woning met maar liefst vijf slaapkamers. Enkele maanden daarvoor waren de eerste bewoners in de stad in aanbouw gearriveerd en samen met 24 anderen komt het gezin Hutten in een soort hofje terecht.

LOKALE KRANT „Al snel ontstond daar een kleine, maar hechte gemeenschap', herinnert Henk zich. Winkels waren er nog niet. Sommige bewoners hadden hun bedrijf aan huis en gebruikten de woonkamer als winkel. Bij ons hoefde dat niet, want ik had in mijn schuur een werkplaatsje. 's Morgens ging ik eerst, op de fiets, met geisers op pad om die te installeren. Daarna deed ik nog wat reparaties. Mijn vrouw fungeerde als een soort contactpersoon en nam bestellingen en klachten in ontvangst", weet Henk nog over die eerste periode. Zijn schoonmoeder had met haar bedenkingen wel een punt, moet hij toegeven, want in die beginjaren was er nog nauwelijks openbaar vervoer. Als je de laatste bus te miste, moest je in Harderwijk blijven overnachten. Lelystad was dan onbereikbaar. „Er was helemaal niks, niet eens een brievenbus", vervolgt Henk, „Maar de uitbreiding van de stad ging in een razend tempo, er werd ontzettend gebouwd. Al die veranderingen legden mijn vrouw en ik vast."

Als later een van de buren het plan opvat om een lokale krant op te zetten, wordt Henk al snel ingeschakeld om foto's te maken. Daarmee vestigt hij zijn naam als eerste fotograaf van Lelystad. „In militaire dienst had ik tijdens de zogenaamde parateweekenden veel gefotografeerd en in de donkere kamer gewerkt. Je moest dan het hele weekend in de kazerne blijven en dan was dit natuurlijk een mooie tijdsbesteding. In Lelystad ben ik begonnen met sportfotografie. Binnen korte tijd wisten de mensen ons te vinden en maakten we ook pasfoto's. Stel je voor, als je pasfoto's wilde laten maken moest je naar Harderwijk of Kampen om dan een paar dagen later opnieuw op pad te gaan om de foto's op te halen. Ik heb zelfs het eerste bruidspaar in Lelystad gefotografeerd."

POLDERBLINDHEID Met de auto vanuit Kampen of Harderwijk naar Lelystad rijden was in die jaren een gevaarlijke onderneming. Buiten de toen nog kleine bebouwde kom waarde immers het spook van depolderblindheid rond. Automobilisten waren niet vertrouwd met de eindeloze, kaarsrechte wegen in het vlakke polderlandschap. Bij de kruisingen keken de bestuurders wel goed uit, maar ze zagen andere auto's niet naderen. „Je moest eerst uiterst links kijken en daarna weer vooruit, maar blijkbaar neem je door dat vlakke en uitgestrekte landschap niet goed waar. Helaas heb ik in die tijd heel wat verschrikkelijke klappers moeten vastleggen", vertelt Henk.

Vooral de verbondenheid die Henk ook ontmoette bij zijn contacten met de politie, de brandweer en de ambulancediensten is hem altijd bijgebleven. „Ik had toen een enorme vrijheid. We wisten wat we aan elkaar hadden en we vertrouwden elkaar. Zoals ik daar werkte, heb ik later eigenlijk nooit meer kunnen doen. Ja, dat was bijzonder."

Henk en de andere eerste bewoners van de snel groeiende stad in de verder nog lege polder beschouwden zich als kwartiermakers voor de talrijke nieuwe bewoners die vooral uit Amsterdam kwamen. Zij werden aangetrokken door de ruime woningen die in de hoofdstad niet voorhanden waren en in Lelystad wel. Nadat ze er hun intrek in hadden genomen, drong bij deze mensen vaak langzaam door dat ze toch wel een erg grote stap hadden gezet. Gewend aan de dynamiek in de Randstad kwamen ze terecht in een polderstad waar nauwelijks iets te doen was, waar geen werk was en waar alleen een smalle weg naar Harderwijk of Kampen leidde.

PROMOTIE Nadat Henk opnieuw promotie kon maken bij het gasbedrijf verhuisde het gezin Hutten in 1984 naar Putten. Aanvankelijk stuitte dat vooral bij zijn zoon en twee dochters op verzet, want die hadden het uitstekend naar hun zin in de polder. Voor Henk dreigde die verhuizing ingrijpende gevolgen te hebben, want hij moest zijn vrouw beloven niet meer te fotograferen. Helaas kon hij zijn toezegging niet lang gestand houden. „In Lelystad beheerste het fotograferen ons leven. Als we de sirene van een brandweerauto of een ziekenwagen hoorden, wisten we dat er iets aan de hand was en we er op uit moesten. Dag en nacht waren we in de weer. Dat wilde mijn vrouw niet meer, maar het liep anders."

Die omslag kwam toen na een noodweer de straten in Putten blank stonden, automobilisten strandden en fietsers bijna kopje onder gingen. Als fotograaf in hart en nieren kon Henk het niet nalaten die taferelen vast te leggen. „Ik dacht dat het Puttens Nieuwsblad die platen wel wilde hebben en stopte ze daar in de brievenbus. En ja, toen zat ik er weer aan vast. Ze wilden wel vaker materiaal van mij hebben."

In die periode voerde hij ook af en toe een opdracht uit voor de Barneveldse Krant en dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven. Stoppen? Nee, dat zit er voorlopig nog niet in. Henk vindt zijn vak nog steeds aantrekkelijk. Hoewel, ook hij heeft de wereld van de persfotografie ingrijpend zien veranderen. „Destijds maakte ik foto's, moest ik ze vervolgens zelf ontwikkelen en afdrukken en dan naar de krant brengen. Toen aan het einde van de vorige eeuw de digitale fotografie in zwang raakte, moest ik daar aanvankelijk niets van hebben. Nu zie ik er alleen maar voordelen van. Soms is het nauwelijks voor te stellen hoe we nog maar een jaar of twintig geleden iedere keer weer in de weer waren met allerlei chemicaliën in een donkere kamer."

Zijn omvangrijke foto-archief dat hij in de jaren in Lelystad heeft opgebouwd heeft Henk overgedragen aan Museum Batavialand. „Alle kranten had ik bewaard, maar ik deed er eigenlijk niets meer mee. En op een gegeven moment liepen de zilvervisjes tussen de negatieven. Toch wil je zoiets niet weggooien. Gelukkig wilde het museum ze hebben, dus dat materiaal is goed terecht gekomen. 't Geeft toch een beeld van een bijzondere periode waar ik met veel genoegen op terug kijk."